1ste Belgische Leugen: De Vlaamse
Leeuw is van Arabische herkomst.
Vlaams Feit: Volgens een hardnekkig verhaal is de Vlaamse
Leeuw afkomstig uit het Midden-Oosten. De Vlaamse graaf Filips van den Elzas zou deze 'zwarte
leeuw op gouden veld' als kruisvaarder veroverd hebben op een
islamitische heerser. Dit verhaal wordt gretig verspreid door de
promotoren van de multiculturele samenleving. Het symbool van de
Vlaams-nationalisten dat van de Arabieren afkomstig blijkt te
zijn? Het idee alleen al is voor sommigen even lekker als een
jointje. Deze legende verklaart niet hoe het mogelijk is dat
graaf Filips van den Elzas al in 1162 afgebeeld werd met een
leeuw op zijn helm, schild en banier, terwijl de graaf pas in
1177 op kruistocht vertrekt. Bovendien staat de islam
weigerachtig tegenover de afbeelding van levende wezens. De leeuw
was overigens al lang voor de kruistochten bekend in Europa,
onder meer bij de Romeinen. De oorsprong van de Vlaamse Leeuw
moeten we niet in het Midden-Oosten zoeken. Onze leeuw is
wellicht een verre afstammeling van de draak, een oud Europees
symbool dat we bijvoorbeeld nu nog op de vlag van Wales
terugvinden. Onder invloed van het christendom verliest de
heidense draak zijn vleugels en wordt de 'gaande' leeuw een
'klimmende' leeuw. Tussen de 11de en 13de eeuw worden er allerlei
'dappere' dieren op de schilden afgebeeld: draken, wolven,
leeuwen, luipaarden, panters,
Het loopt allemaal een beetje
door elkaar en er worden ook mengvormen afgebeeld. Ten tijde van
de Guldensporenslag spreekt men nog van de 'Liebaert' of 'Lupard'
(luipaard) van Vlaanderen. Pas met de ontwikkeling van de
heraldiek worden de meeste van deze vreemde dieren
'gestandaardiseerd' tot leeuwen. De eerste in kleur afgebeelde
Vlaamse Leeuw (13de eeuw) is overigens volledig zwart. Maar al in
het midden van de 14de eeuw duiken de rode tong en klauwen op.
Voorstelling
van de Guldensporenslag in de 'Grandes Chroniques de France'
De leuze "Vlaendren die
Leu" stond volgens Eug. Sanders op het schild van Pieter
de Coninck bij de Guldensporenslag van 11 juli 1302 nabij de
Groeningekouter, en werd ook geroepen door een driehonderdtal
Brabantse edelen, toen ze, na in de Franse rijen te hebben
gestreden, zagen dat de kansen voor de Vlamingen keerden. In
Spiegel Historiael van Lodewijk van Velthem wordt ook
verwezen naar de leeuw in een lied op de Slag van
Blangys-Guinegatte (die plaatst had in augustus 1472). Later
gebruikt Hendrik Conscience de leuze in zijn Leeuw van
Vlaanderen.
[Goe]
verwijst naar [War80]
van E. Warlop als een grondige wetenschappelijke studie
naar de oorsprong van de Vlaamse leeuw.
De eerste bekende poging om de
oorsprong vast te stellen zou ondernomen zijn door Jan de
Lange, beter bekend als Iperius, abt en historiograaf van de
Sint-Betrijnsabdij. Deze vertelt dat van de eerste forestier af
de graven van Vlaanderen een wapen voerden "Oude
Vlaenderen" genoemd. Tijdens de kruistocht van 1177 zou de
Graaf van Vlaanderen, Filips van de Elzas, tijdens een
gevecht tegen de Sarrazenen door zijn dapperheid de zwarte leeuw
op gouden veld veroverd hebben op een mohammedaans vorst. Bij
zijn terugkeer deed de graaf afstand van "Oude
Vlaenderen" en nam de zwarte leeuw aan. Sindsdien hebben de
graven van Vlaanderen altijd "in goud een leeuw van
sabel" als wapen gevoerd.
Dr. E. Warlop stelt vast dat de
leeuw voor het eerst verschijnt op een zegel van Filips van de
Elzas in 1162, dus vijftien jaar vóór de "verovering"
in het Heilige Land. Het verhaal van Iperius dateert uit de
tweede helft van de veertiende eeuw -twee eeuwen na de feiten- en
kan bijgevolg niet juist zijn. Geen enkel wetenschappelijk
vaststaand feit bewijst trouwens dat de graven ooit "Oude
Vlaenderen" als schild gevoerd hebben! Alle bekende
beschrijvingen en afbeeldingen dateren van nà het verhaal van
Iperius. Volgens Warlop vinden ze vermoedelijk dan ook hun
oorsprong in dit verhaal, dat met bepaalde bedoelingen verspreid
was. De oorsprong van de Vlaamse leeuw moet dan niet gezocht
worden in het Heilige Land, maar in de omgeving van Filips van de
Elzas zelf.
Vier jaar vóór het zegel van
Filips, in 1158, verschijnt er op het tegenzegel van Willem
van Ieper een rechtsgaande leeuw. Willem kan dit wapen
geërfd hebben van de vroegere graven, of meegebracht hebben uit
Engeland, waar hij twintig jaar verbleef als aanvoerder van
huurtroepen in dienst van de Koning.
Filips kan het wapen ook gekozen hebben als zoon van
Sybilla van Anjou, zuster van Godfried Plantagenet, die een
schild voerde met twee klimmende (rechtopstaande en naar links
gekeerde) leeuwen. Hij kan het ook gekozen hebben wegens zijn
verblijf in Engeland waar hij tijdens een kruistocht van zijn
ouders onder bescherming stond van de Engelse Koning, Hendrik II
Plantagenet. Hendrik II voerde gaande leeuwen in zijn schild.
In de twaalfde eeuw begon de
gaande leeuw, eigenlijk een verre afstammeling van de draak, het
zinnebeeld te worden van het heidendom en van opstandigheid tegen
de kerk. De klimmende leeuw werd echter het zinnebeeld bij
uitstek van de christelijke ridder, en het ligt dus voor de hand
dat Filips van de Elzas, die zelf tweemaal naar het Heilige Land
trok, dit symbool op zijn schild plaatste.
Een tweede reden kan zijn dat
zowel Diederik als Filips van de Elzas beslag wilden
leggen op het nalatenschap van Willem van Ieper, ten nadele van
diens onwettige maar gelegitimeerde zoon. Om het gevaar van
usurpatie te voorkomen werd het wapen van Willem echter niet
letterlijk overnomen: de gaande leeuw werd een klimmende.
Ten slotte kan het ook overgenomen
zijn van Godfried Plantagenet, als het symbool van de
christelijke ridder. De gaande leeuw paste bovendien beter in een
driehoekig schild.
Het verhaal van de verovering van
de leeuw op de Sarrazenen diende daarom waarschijnlijk als
verdoezeling voor de minder fraaie werkelijkheid.
De eerste bekende poging om de
oorsprong van de Vlaamse leeuw vast te stellen zou
ondernomen zijn door Jan de Lange, beter bekend als Iperius, abt
en historiograaf van de Sint-Betrijnsabdij. Deze vertelt dat van
de eerste forestier af de graven van Vlaanderen een wapen voerden
"Oude Vlaenderen" genoemd. Tijdens de kruistocht van
1177 zou de Graaf van Vlaanderen, Filips van de Elzas
(1142-1191), tijdens een gevecht tegen de Sarrazenen door zijn
dapperheid de zwarte leeuw op gouden veld veroverd hebben op een
mohammedaans vorst. Bij zijn terugkeer deed de graaf afstand van
"Oude Vlaenderen" en nam de zwarte leeuw aan. Sindsdien
hebben de graven van Vlaanderen altijd "in goud een leeuw
van sabel" als wapen gevoerd.
Van Laenen verwijst naar het artikel
Ten slotte kan het ook overgenomen
zijn van Godfried Plantagenet, als het symbool van de
christelijke ridder. De gaande leeuw paste bovendien beter in een
driehoekig schild.
Het verhaal van de verovering van de leeuw op de Sarrazenen
diende daarom waarschijnlijk als verdoezeling voor de minder
fraaie werkelijkheid.
Oorspronkelijk was Vlaanderen
bewoond door Kelten, die door de Germanen west- en zuidwaarts
werden verdreven. Onder de Germaanse stammen, die Vlaanderen in
de eerste eeuw voor Christus bewoonden, waren de Menapiërs en de
Morinen, van wie Julius Cæsar getuigt dat ze nooit naar
hem om vrede zonden, alsook de Atrebaten de voornaamste. Van de
zesde tot de negende eeuw behoorde Vlaanderen, dit is de huidige
provincies Oost- en West-Vlaanderen, alsook Zeeuws- en
Frans-Vlaanderen, geheel tot het grote Frankenrijk van de
Merovingische en Karolingische vorsten. Het werd gekerstend door
de prediking van geloofsverkondigers onder wie de Heilige Amandus,
Eligius, Livinus en Willibrordus de
voornaamsten waren.
Bij de verdeling van het
Karolingisch rijk in 843 door het verdrag van Verdun kwam het
gebied op de linkeroever van de Schelde aan West-Frankenland. Als
graaf-ambtenaar van zijn schoonvader Karel II de Kale
oefende Boudewijn I met de IJzeren Arm het bestuur uit
over het kustgebied rondom Brugge, dat de naam Vlaanderen droeg.
Van daaruit breidden zijn zoon Boudewijn II en zijn
kleinzoon Arnulf I het graafschap zuidwaarts uit tussen
879 en 965, terwijl Boudewijn IV en Boudewijn V
tussen 988 en 1067 in oostwaartse richting gebied veroverden dat
van het Duitse rijk afhing en daarom Rijks-Vlaanderen werd
geheten, in tegenstelling tot Kroon-Vlaanderen dat van de Franse
kroon afhing. Boudewijn VI verenigde door zijn huwelijk
Hainaut met Vlaanderen, maar na zijn dood in 1070 raakten beide
graafschappen weer uit elkaar. Na de moord op de zalige graaf Karel
de Goede in 1127 kende Vlaanderen hachelijke ogenblikken.
Koning Lodewijk VI van Frankrijk verhief Willem van
Normandië tot graaf, maar deze kon zich niet handhaven tegen
de Vlaamse burgers. In 1128 werd Dirk van de Elzas tot
graaf uitgeroepen. Onder zijn regering en die van Filips van
de Elzas (1168-1191) namen macht en welvaart in aanzienlijke
mate toe. Een bloeiend lakennijverheid bevorderde de ontwikkeling
van de handel en de politieke machtsuitbreiding van de grote
steden Brugge, Gent en Ieper. Brugge werd de stapelplaats voor de
zeehandel van noordwestelijk Europa, en de kunst kende een
hoogtepunt.
Filips van de Elzas schonk zijn
nicht met Artesië als bruidschat aan koning Filips II van
Frankrijk. In 1191 volgde een nieuwe vereniging van
Vlaanderen met Hainaut onder Boudewijn VIII (1191-1194),
maar juist die macht leverde hem ook vijanden op. Boudewijn IX
nam, evenals verschillende van zijn voorgangers, deel aan een
kruistocht, en werd in 1202 tot keizer van Konstantinopel
gekroond. De welvaart van Vlaanderen wakkerde bij de intussen ook
sterker geworden Franse koning het verlangen aan tot annexatie.
Na de zege van Filips August bij Bouvines in 1214 kwam
Vlaanderen meer en meer onder Franse invloed. Tegen die dreiging
zocht het hulp bij Engeland vanwaar het overigens de wol betrok
als onontbeerlijke grondstof voor zijn lakennijverheid; de
Engelsgezinde politiek van graaf Gwijde van Dampierre
(1280-1305) bracht hem in openlijke strijd met zijn leenheer Filips
de Schone. In 1297 werd Gwijde van Dampierre verslagen, en in
1300 met zijn familie gevangen gezet. De willekeur en overmoed
van de stadhouder Jacques de Châtillon, de afpersingen
van zijn ambtenaren en het uitdagende bezoek van Filips en zijn
gemaling te Brugge in mei 1301, waarbij de Fransgezinde partij
(Leliaards) grote feesten hield, wekt de verontwaardiging van de
volkspartij (Klauwaards), aangevoerd door Pieter De Coninck
en Jan Breydel. Overal ontstonden volksbewegingen, onder
andere te Brugge, waar op 19 mei 1302 de Fransen werden vermoord
(Brugse Metten). De Châtillon ontkwam met moeite. Het leger door
Filips gezonden om de Vlamingen te tuchtigen, werd in de
Guldensproenslag van 11 juli 1302 verslagen; de Vlamingen drongen
in Artesië binnen en brachten de legers nog menige nederlaag
toe. In mei 1304 werd een wapenstilstand gesloten, en graaf
Gwijde kwam uit de gevangenis om de definitieve vrede voor te
bereiden. Toen hij hier echter niet in slaagde, keerde hij in de
gevangenis terug, en Filips viel Vlaanderen opnieuw binnen. Te
Mons-en-Puelle had een onbesliste slag plaats, en einde september
1304 werd een voorlopig verdrag getekend. In juni 1305 werd de
vrede gesloten, waardoor Vlaanderen opnieuw onafhankelijk werd,
maar zijn voornaamste steden moest ontmantelen.
Onder Lodewijk van Nevers
(1322-1384), die verscheidene opstanden verwekte, was Jacob
van Artevelde feitelijk meester in Vlaanderen. Bij het
uitbreken van de Honderdjarige Oorlog in 1337 tussen Frankrijk en
Engeland koos Jacob van Artevelde, na een korte neutraliteit, de
Engelse zijde, maar tweespalt en naijver leidden tot zijn
vermoording. Zijn zoon Filips van Artevelde streed
roemrijk tegen Lodewijk van Male (1346-1384), die hem, met
de hulp van koning Karel VI van Frankrijk en Lodewijks
schoonzoon Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, in
1382 bij Westrozebeke versloeg. Graaf Lodewijk van Male hield het
zoveel mogelijk bij een evenwichtspolitiek, en zijn schoonzoon
Filips de Stoute streefde handig naar machtsuitbreiding door
diplomatie en huwelijkspolitiek. Uit verontwaardiging om de moord
op Jan zonder Vrees in 1419, koos zijn zoon Filips de
Goede partij tegen Frankrijk. Door hem kwam Vlaanderen ook
terecht in het uitgebreide landencomplex dat de Bourgondische
gestalte van de Nederlanden heten mag. De laatste feodale banden
tussen het graafschap Vlaanderen en de Franse koning verdwenen
toen Frans I van Frankrijk in 1526 bij de vrede van Madrid
en opnieuw in 1529 bij de vrede van Kamerijk zijn leenheerlijke
rechten op Kroon-Vlaanderen opgaf.
Na de Bourgondische heerschappij
kwam de Habsburgse (1482-1555), daarna de Spaanse (1555-1713).
Onder de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) nam Vlaanderen
aanvankelijk deel aan de opstand, maar werd snel door Spanje
bedwongen. Bij de Vrede van Münster in 1648 moest Spanje
Staats-Vlaanderen aan de republiek der Verenigde Nederlanden
afstaan. Later verloor het nog Duinkerken, Rijssel en andere
steden aan Lodewijk XIV van Frankrijk. Sedert 1713 maakte
Vlaanderen deel uit van de Oostenrijkse Nederlanden, en van 1797
tot 1815 vormde het twee Franse departementen, die in 1815 als
Oost- en West-Vlaanderen bij het Koninkrijk der Verenigde
Nederlanden werden gevoegd. Na de Belgische opstand van 1830
kwamen zij aan het nieuwe gevormde koninkrijk België.